Daan reist naar de Kaukasus – (5) Zes bedden in zes nachten. Ankara-Erzurum-Batumi-Yerevan

In dit deel beschrijf ik hoe ik op dinsdag vertrok uit Ankara, op zaterdag aankwam in Yerevan, Armenië, en wat er in de dagen daartussen gebeurde!

Hoewel ik wist wat me te wachten stond, kon ik mijn ogen toch maar nauwelijks geloven toen de conducteur in Ankara mijn coupé liet zien. De Turkse Spoorwegen (TCDD) houden er namelijk een nogal vreemd business model op na. Dat zit zo: de nachttreinen hebben zowel zitplaatsen, als vierpersoonscoupés, als tweepersoonscoupés. Tot zover is er niks aan de hand. Kies je voor die laatste optie en reis je met zijn tweeën, dan betaal je voor de rit van Ankara naar Erzurum – een middelgrote stad in het oosten van het land – ieder zo’n 80 lira (+- 28 euro). Maar: boek je in je eentje een plaats in een tweepersoonscoupé, dan betaal je 96 lira (33 euro), en dan wordt de andere plaats simpelweg niet verkocht! Aangezien deze plaatsen meestal vrij snel volgeboekt raken, loopt de TCDD zo dus 64 lira mis, maar had ik de beschikking over een eigen luxe compartiment, met twee bedden (kon ik kiezen), een wastafel+stopcontactje, een instelbare airconditioning, en een koelkast. Voor 33 euro en een reis die 22 uur zou duren een meer dan prima deal!

De eerste paar uur – de trein vertrok om zes uur ’s avonds – genoot ik van het uitzicht, en had ik afwisselend mijn fototoestel en mijn ereader in handen. Rond half negen besloot ik de restaurantwagon op te zoeken. Omdat de köfte al op bleek te zijn, bestelde ik de lamshish en een salade. Beide waren best lekker! Ondertussen raakte ik in gesprek met een Amerikaan – alweer, de derde in een week – die me uitnodigde om bij hem aan te schuiven. Deze man, Bryan, had lange tijd in Colorado gewoond, maar ontmoette tijdens een taalcursus in Antalya een Turkse vrouw, en zodoende woonde hij al een aantal jaar aan de Middellandse Zee. We hadden een erg gezellig gesprek over van alles en nog wat. Bryan bleek veel te houden van biking, hiking en trekking. Om die reden reisde hij nu af naar oost-Turkije, onder meer met het plan om de berg Ararat te beklimmen (!). Hij kende die regio goed, en had ook in Georgië geklommen, maar was nog niet in Armenië geweest. Hij vroeg me of ik hem foto’s van Ararat – voor de Armenen een heilige berg – kon sturen zoals die er van de Armeense kant uitzag. Bryan sprak inmiddels een behoorlijk woordje Turks, en het was indrukwekkend om hem zonder enige moeite te zien babbelen met het treinpersoneel. Om half één besloten we weer onze eigen plekken op te zoeken. We rekenden af – in totaal zo’n 24 euro voor twee hoofdgerechten, een salade, een cola en 4x een halve liter Efes-bier – en ik ging terug naar mijn privépaleisje. Nadat ik nog wat had gelezen, mijn tanden had gepoetst en naar het toilet was geweest – de wagon beschikte over zowel een zit- als een hurkoptie – klapte ik mijn bed omlaag en viel ik als een blok in slaap.

De wekker ging om het luxe tijdstip van half negen. Ik had nog langer uit kunnen slapen, maar het uitzicht was te waanzinnig om met gesloten ogen voorbij te laten gaan. Met Bryan had ik het erover gehad hoe dit misschien wel de eerste keer was dat ik zag hoe je tientallen kilometers aan een stuk kunt rijden zonder een ander teken van menselijk leven tegen te komen dan het spoor, een verlaten weg en eventueel een elektriciteitskabel. In Europa zie je dan toch meestal wel ergens of kleine dorpjes, of grote stukken akkerland. Bryan had gezegd dat Turkije in die zin leek op de Verenigde Staten. Nadat ik in de restaurantwagon had ontbeten met een omelet, brood en thee, nam ik weer mijn leeshouding aan, en las ik hoe Lincoln zich verdedigde tegen de aantijging dat hij een ongelovige zou zijn: buitengewoon interessant! Ergens in de middag kwam Bryan langs. Hij wilde deze coupés ook wel eens zien. Omdat hij zijn ticket pas laat had gekocht, sliep hij dit keer in een stoel, maar een volgende keer zou hij mijn voorbeeld vermoedelijk volgen. Terwijl we op het gangpad praatten met twee van mijn Franse wagongenoten, begon Bryan elementen in het landschap te herkennen; een teken dat Erzurum eraan kwam. Zo’n drie uur later dan volgens schema, rond 16.30 woensdagmiddag, was het zover en stapte ik uit. Onmiddellijk viel op dat de mannen hier veelal arm in arm liepen, en de vrouwen door de bank genomen een stuk conservatiever gekleed waren dan in Istanbul of Ankara. Ik had mijn hotel gelukkig snel gevonden en legde mijn spullen daar neer. Vervolgens ging ik op zoek naar het buskantoortje om een ticket naar Hopa te kopen voor de volgende ochtend. De man in het kantoor sprak voldoende Engels om dat te doen slagen, en met mijn kaartje op zak zocht ik naar de bezienswaardigheden die Bryan me had aangeraden. Omdat ik hopeloos verdwaald was, en flinke honger op voelde zetten, kwam het daar echter niet meer van. Ik kocht wat in bij een grote supermarkt, en bracht de rest van de avond door op mijn hotelkamer.

Na een goede maar korte nacht, ging voor de tweede keer in drie dagen de wekker iets voor zessen af. De vorige dag had ik het buskantoortje per toeval gevonden, dus ik wilde graag wat speling hebben om een verkeerde afslag te kunnen opvangen… Nadat ik me had afgemeld bij de nog slapende receptionist, liep ik gelukkig in één keer goed naar het kantoortje toe. Daar reed een bus die er bepaald niet uit zag zoals bijvoorbeeld die van Istanbul naar Ankara.. Even was het niet duidelijk of dit de bus was die ons naar Hopa, vlakbij de Georgische grens, moest brengen, of dat hij alleen als shuttlebus naar het busstation zou fungeren. Het eerste bleek – helaas – het geval te zijn. Ik was niet helemaal blij toen de chauffeur erop stond dat ik naast mijn grote ook mijn kleine rugzak in het ruim zou leggen: tot dan toe waren we onafscheidelijk. Gelukkig bleek mijn stoel precies boven het bagageruim te zitten, zodat ik tijdens de stops een paranoïde oogje in het zeil kon houden. Bovendien had ik mijn oortjes bij me, dus er volgde een intensieve luistersessie van de muziek die ik op mijn telefoon had meegenomen. De bus was noch heel ruim, noch heel comfortabel, maar ik kon mijn benen net kwijt, en de airco werkte goed, dus het was te doen, alleen niet de luxe waaraan ik stiekem gewend was geraakt! Gedurende de bijna zes uur durende rit was ik de enige niet-Turk die ik zag. Tijdens het eerste deel van de rit zat er een man naast me, die me, zodra hij doorhad dat ik geen Turks sprak, een vaderlijk/meelevend schouderklopje gaf: er leek uit te spreken dat ik ietwat gek moest zijn om me hier te begeven.. :) Verder leed de man aan wat ik, met alle liefde, Taal-Barrière-Onverschilligheid (TBO) zal noemen. Dat wil zeggen: twintig minuten nadat hij door had dat ik geen Turks verstond, begon hij weer vrolijk een verhaal in die taal te vertellen. In de weken die volgden, zou blijken dat TBO een ware epidemie vormt in dit deel van de wereld. Het mooiste symptoom is nog hoe sommige van deze mensen bij elke gestelde vraag opnieuw verbaasd/boos leken dat ik ze niet begreep…

Het landschap, ondertussen, was buitengewoon spectaculair. Waar ik de dag ervoor nog de bergen had gezien vanuit de trein, reden we er nu dwars door- en overheen. Zo nu en dan stopte de bus, om mensen in wat leek op een volstrekt niemandsland af te zetten of op te pikken, maar even vaak ook om goederen, vooral fruit, in en uit de bus te laden. Na één bepaalde bergrug gebeurde waar ik al over had gelezen. Opeens maakten de grotendeels kale, geel-bruine heuvels plaats voor hun groene broertjes en zusjes, doemde de Zwarte Zee op, en zagen we Hopa liggen. Zelfs in de bus was de overgang van het droge klimaat naar de subtropische kust meteen voelbaar! In Hopa stapte ik uit, en sprak ik met een taxichauffeur af dat hij me voor 40 lira (14 euro) naar de grens zou brengen. Daar trof ik een lange rij aan, die zich grotendeels in de hete en benauwde buitenlucht bevond: niet echt een pretje. Aan de Georgische kant paste de massa gelukkig wel binnen het grenskantoor, en na zo’n anderhalf uur was ik twee stempels rijker, en stond ik in Georgië!

Ik wisselde mijn overgebleven lira’s om voor lari’s (ja, echt!), en sprak opnieuw een taxichauffeur aan. Deze sprak letterlijk geen woord Engels – best opmerkelijk, voor iemand die werkt bij de grens. Hij was wel erg eager om mijn tas in zijn kofferbak te leggen, maar uiteraard wilde ik eerst een prijs afspreken voor de 15km naar Batumi. Uiteindelijk stak hij tien vingers op. Omdat ik dat niet helemaal geloofde, pakte ik mijn telefoon erbij, en liet hem de prijs intoetsen op het rekenmachientje. Het bleek te kloppen: 10 lari! Voor dat geld, iets meer dan 4 euro, reed hij me niet alleen langs de kust naar Batumi, met zicht op de fabelachtig blauwe zee, maar vroeg hij vervolgens ook nog aan een flink aantal mensen de weg, om me uiteindelijk voor de deur van mijn slaapplek af te zetten. Geen slechte eerste indruk! Ik werd ontvangen door het oudere echtpaar dat het gasthuis runde: man met open blouse, vrouw met brede lach en een bijna helemaal goed ‘Daan Zie-en?’. Op de tafel lag verder een Nederlandse Cosmopolitan van halverwege vorig jaar, dus ik voelde me helemaal thuis! (Dat was dus een grapje, geen zorgen.)

Nadat ik op mijn kamer wat uitgerust en bijgechat had, liep ik de stad in. Wat meteen opviel was dat de meeste winkels hun naam zowel in het Georgisch als in het Engels op de gevel hadden staan, al dan niet gegoogletranslatet. Dat laatste gold vermoedelijk ook voor de steen die meldde dat ene Vasil Shanidze van 1941 tot 1972 in een van de gebouwen in mijn straat had gewoond. Deze man was, volgens de tekst, een ‘famous selectionist of agricultural sphere’. Degene die me uit kan leggen wat dat beroep inhoudt, en wat de bijdrage van meneer Shanidze daaraan was, trakteer ik van harte op een biertje in een Nederlandse plaats naar keuze. Ik liep door, en was net op tijd bij de kust om de zon een duik te zien nemen in de zee: een prachtig gezicht. Batumi viel me sowieso alleszins mee: natuurlijk, er waren de strandtentjes met afschuwelijk-hilarische coverbandjes, maar er was ook een gigantisch park, met een stuk meer jonge gezinnen dan ik hier verwacht had. Restaurants met Engelse menukaarten daarentegen bleken schaars, zelfs in het kwartier rond het gigantische Sheraton. Toen ik de moed verzameld had om bij een khachapurikraampje mijn geluk te (be)proeven, werd ik totaal genegeerd, omdat de eigenaar druk ruzie aan het maken was met een andere man. Gelukkig stuitte ik niet lang daarna op een eettentje waar een zeer vriendelijke Indiër en zijn zoontje zowel Indiaas als Georgisch eten serveerde. Terwijl de man nog uitsprak dat hij het jammer vond dat Nederland het net niet had gered op het WK, besloot ik om toch niet helemáál de op safe spelende toerist uit te hangen, en alsnog de plaatselijke khachapurivariant te bestellen. Khachapuri is Georgisch voor ‘cholesterol op een bord’ en bestaat in allerlei varianten. Steeds gaat het om deegwaar met daarin een soort romige kaas. De variant van Adjarië (de provincie waarin ik me bevond) heeft daarnaast twee eidooiers bovenop. Het smaakte best oké, maar verder dan halverwege kwam ik niet. Wel sprak ik nog een poosje met de enige andere klant, ook een Indiër. We hadden het over cricket, het verschil tussen Holland en Nederland (op zijn verzoek), en over yoga: hij was zelf yogaleraar in Tbilisi. Met gevulde maag en blij dat ik nog even Engels had kunnen spreken, ging ik weer naar huis.

De volgende ochtend, vrijdag, kon ik zowaar weer een beetje uitslapen. Van de hitte had ik rare dromen gehad die ik nu niet meer kan reconstrueren, dus de paar uur extra waren zeer welkom. Milieubewust had ik de ventilator namelijk op de slaapstand gezet. Toen ik me gedouchet en uitgecheckt had, ging ik een poosje in het eerder genoemde park zitten. Op een gegeven moment zocht ik een winkeltje op om wat proviand/junk food in te slaan voor de lange treinrit die ik voor de boeg had: in één klap van Batumi aan de Zwarte Zeekust naar Yerevan in Armenië. Mijn zorgen dat ik in Istanbul misschien wat boven mijn stand had geleefd, verdwenen als sneeuw voor de zon toen ik voor mijn tas met 1,5 liter water, 1 liter cola, een groot krentenbroodding, een zak chips én een ijsje rond de 3 euro moest afrekenen. Ik zocht een taxi op om me naar het treinstation te brengen, dat in een dorpje ten noorden van Batumi zelf ligt. De trein reed keurig op tijd binnen om om half vier ’s middags te vertrekken. Aanvankelijk had ik de bloedhete vierpersoonscoupé (de luxere variant was al uitverkocht) voor mezelf, maar al snel kreeg ik gezelschap van een Armeense moeder en haar twee dochters van rond mijn leeftijd, die bovendien goed Engels spraken. Beter gezelschap dan de dronken Russen die deze trein volgens de verhalen meestal bevolken! De conducteur kwam langs met beddengoed, snoep, flessen water, en een heus survivalpakket met handdoeken, slippers (waarvan ik het nut begreep toen ik het ‘toilet’ zag), een kam, tandenborstel en tandpasta. De Armeense dames op hun beurt deelden perziken uit en iets waarvan ik gok dat het ook een khachapurivariant was, maar dan had het veel weg van wat wij een pizzabroodje zouden noemen. Ik stelde uiteraard mijn etenswaren ter beschikking, en het was wederom gezellig. Helaas heb ik ook deze nacht geen oog dichtgedaan: de trein was veel te warm, het bed net even wat te kort, en de grensovergang viel net na middernacht. Ik was blij toen we, netjes om zeven uur, zaterdagochtend aankwamen in Yerevan! Omdat ik nog wat tijd te doden had, besloot ik wat te lezen in het prachtige treinstation. Ik bedacht me dat ik die avond in het zesde verschillende bed in zes nachten tijd zou slapen: maandag Istanbul, dinsdag de trein naar Erzurum, woensdag in Erzurum, donderdag in Batumi, vrijdag in de trein naar Yerevan (in theorie althans), en zaterdag in Yerevan zelf! Ik moest het rijtje opnoemen om mijn besef van de weekkalender te herwinnen. Toen er een paar uur verstreken waren, ging ik op zoek naar mijn hostel…

De volgende keer alles over mijn verblijf in Armenië! Veel dank voor de lieve reacties: een betere motivatie kan ik me niet wensen!

Ararat

we hadden appelflappen
zelfs beignets meegenomen
en van elk soort dier een paar
of meer. de meesten hadden zo hun
twijfels – wat is nu een vloed precies? –
maar het is gelukt. vrouw of man
maakte ons niet uit, maar omdat
de toekomst nog wel een poos kon
duren, leek het goed het vast
te hebben over kleintjes.
wie wilde graag? wie zeker niet? er mochten
zeven pinguïns mee. ik voelde druppels
op mijn arm, en probeerde niet te denken
dat het nu wel druk zou zijn. onze matras stond
ik graag af, en ik rolde een handdoek op
tot kussen. je stond in de deur als een vraagteken
waarvan de punt al was verdronken.
of er van onze soort niet ook
nog eentje paste, soms.

Daan reist naar de Kaukasus – (4) De tijd vliegt! Plovdiv-Istanbul-Ankara

Over de weg van Plovdiv naar Istanbul, mijn dagen daar, en mijn reis verder oostwaarts.

Aan het einde van mijn vorige bericht stapte ik in in de trein van Plovdiv naar Dimitrovgrad. Mijn verwachting was dat die trein ons naar Dimitrovgrad zou brengen (goh!), dat we vanuit daar per bus naar Kapikule zouden gaan (net over de Turkse grens), en dat er vanuit daar een trein reed naar een plaatsje verderop en de rit zou eindigen met een laatste busrit naar Istanbul. Die verwachting klopte… deels.

Toen ik in Plovdiv in de trein stapte, hoorde ik gesproken Nederlands voor me. Het bleken twee meisjes – Hanna(h) en Jaella (ik ben de spelling vast aan het verprutsen) – die ook op weg waren naar Istanbul als slot van hun Interrailavontuur. De eerste Nederlanders die ik sprak sinds de jongen uit de trein naar Praag. Ze vertelden over hun tocht. Ze hadden onder andere de nachttrein van Belgrado naar Sofia genomen, maar dat was een behoorlijke nachtmerrie geweest, met een verhaal zoals ik dat al eerder had gelezen. Ik was blij met mijn keuze de bus te nemen vanaf Budapest.
Toen we een poosje in de trein zaten, kwam er een conducteur langs die ons in zeer beperkt Engels probeerde duidelijk te maken dat we er bij de volgende stop uit moesten. Onze schemaatjes konden dus de prullenbak in: noch de informatie op internet, noch het reisschema dat de meisjes hadden gekregen in Sofia zei iets over verstoringen tussen Plovdiv en Dimitrovgrad. Maar hé, de conducteur wist waar we uit moesten komen, dus ik vond de situatie vooral steeds grappiger worden. De conducteur bracht ons naar een bus (zelf ging hij ook mee), die aan een tocht begon door wat voor een vreemde leek op een totaal niemandsland, vrolijk zwenkend over de brede wegen. Ik werd er melig van. Na een halfuur kwamen we in een plaatsje aan dat Dimitrovgrad bleek te zijn. We volgden de conducteur en kwamen voor een treinstation dat er inderdaad behoorlijk dicht uit zag. De man wees ons op de plek waar – zo interpreteerden we – een bus zou verschijnen. Zelf liep hij een gebouw binnen naast het station zelf. Er hing een grote Russische vlag aan de gevel, en de lampen in het gebouw flikkerden behoorlijk. Het tafereel had een hoop weg van een horrorfilm met een te laag budget om eng te worden.

Ondertussen had zich een andere jongen bij ons gevoegd. Deze jongen, Colin, kwam uit Los Angeles, en al snel raakte hij en ik geanimeerd in gesprek over basketbal en American football. Een gesprek over de kansen van de Lakers, Eagles en Niners in het aankomende seizoen op een donker muurtje in Dimitrovgrad: ik vond het prachtig :). Na een hele poos (anderhalf uur? Twee?) niks vernomen te hebben, kwam er dan toch een bus aan. Geen idee hoe ver die ons zou brengen, maar dat zouden we vanzelf wel zien. Ik zette mijn gesprek met Colin voort, en om middernacht zongen we met zijn drieën (hij, Hanna(h) en ik) zachtjes Happy Birthday: Jaella(?) was 19 geworden. Toen we bij de grens waren, werden onze paspoorten ingenomen: een procédé waar ik na Budapest-Sofia aan gewend was. Na nog een paar posten en ik geloof grofweg een uur waren we aan de andere kant. Het terúggeven van de paspoorten ging wel aanzienlijk anders dan in Servië en Bulgarije, toen de zeer consciëntieuze ‘attendant’ ons netjes een voor een ons paspoort gaf. Hier werden ze in één grote stapel aan de voorste passagier in de bus gegeven, en mochten we ze zelf uitzoeken. Als je nog een keer identiteitsfraude wil plegen, kan ik je deze gelegenheid van harte aanbevelen. We waren opgelucht toen we onze paspoorten weer in eigen handen hadden, maar we stonden wel een poos stil omdat iemand het zijne kwijt was. Dat kwam gelukkig weer goed, en na flink oponthoud konden we weer verder – na nog een keer van bus te zijn gewisseld, maar zonder trein.

Om 7u ’s ochtends waren we vrijdag dan in het hart van Istanbul. Colin voegde me toe op Facebook – net als Paul nam ook hij de roamingkosten voor lief – en we zeiden elkaar gedag. Ik ging op een bankje zitten, met een grote grijns op mijn gezicht: bestemming bereikt! Ik was wel ontzettend moe: door de nachtelijke grensavonturen en andere omstandigheden die er steeds voor zorgden dat ik net wakker was als de zon op kwam, had ik in de 70 uur sinds ik dinsdagochtend wakker werd maar zo’n 7 uur geslapen (de helft in de trein tot Berlijn, de andere helft tot de Servische grens). De adrenaline van het bereikt hebben van Istanbul hield me nog net lang genoeg op de been, maar ik viel een aantal keer bijna op klaarlichte dag in slaap. Na een lange ochtend kon ik om 13u dan eindelijk inchecken in mijn hostel. De man die me mijn kamer liet zien, raadde me aan om een douche te nemen: dat had ik ook al wel bedacht. Door de vochtigheid in Istanbul gutste het zweet van mijn voorhoofd. Ik pakte snel mijn douchespullen en ging onder de ijskoude kraan staan. Ik liet mijn ouders weten dat ik heelhuids was aangekomen, was blij met de formidabele airco op mijn kamer, en ging op bed liggen voor een ‘middagdutje’. Dat zou uiteindelijk van half drie tot half negen (!) duren. Ik trok schone kleren aan en ging de stad in, op zoek naar een terras om te eten. Het was inmiddels best aangenaam – dat ik geen zware rugzak meezeulde hielp ook. Ik werd wel meteen geconfronteerd met wat ik het irritantste aspect van Istanbul zou vinden: dat je niet fatsoenlijk een menukaart kan bekijken, omdat zodra je daar een blik op werpt, er meteen iemand in je gezicht staat te hijgen. Maar uiteindelijk kwam ik terecht bij een restaurant waar de prijzen goed waren en het personeel vriendelijk. Één van de jongens sprak zelfs een paar zinnen Nederlands :).. Ik at een heerlijke gevulde aubergine, gevolgd door een perfect bord pasta. Toen een van de obers daarna met een bordje met baklava en een kop Turkse thee aankwam en zei ‘my present for you’, gingen mijn ‘tourist trap’-alarmbelletjes rinkelen: als ik het op zou eten, zou het vast op de rekening verschijnen. Vooruit, dacht ik, en niets bleek minder waar, al gaf ik wel een fooi die de kosten van het toetje vermoedelijk wel zo’n beetje dekte. Een geslaagde eerste indruk!

Eenmaal weer thuis viel ik, na nog even gechat te hebben, weer als een blok in slaap, ondanks mijn zes uur slaap die middag/avond. De volgende twee dagen bezocht ik een paar van de toeristische highlights. Het archeologisch museum was gaaf maar bood wel een overload aan informatie. Het Topkapipaleis was vooral heel erg druk, en zoals Jorn (zie hieronder) het treffend zou verwoorden: al die tegeltjes gaan na een poosje toch op elkaar lijken. De Hagia Sophia, daarentegen, maakte al mijn verwachtingen meer dan weer. Verder deed ik het vooral rustig aan: Istanbul was prachtig, maar het was er iets te vochtig/drukkend voor me, dus ik bracht ook veel tijd door op mijn koele kamer of in een groot park.

Op zaterdag kreeg ik nog een heel tof berichtje van Paul, met de vraag hoe het échte oost-Europa was. Hij wilde me nog een ‘shout-out’ geven voor hij de vlucht naar Rome pakte. Ik stuurde terug dat hij wat typische oostblokchaos gemist had, maar dat ik zeker wist dat hij Rome geweldig zou vinden. Ook chatte ik nog even met Colin over het laatste sportnieuws. Maandag had ik afgesproken met UvH-vriendin Roline en haar vriend Jorn. We hadden een heel gezellige middag, waarop we twee moskeeën bezochten, wat aten (en zagen hoe Jorn 15 procent korting bedong), en ervaringen uitwisselden. Toen ik die maandag mijn laatste avond in Istanbul had, besloot ik dat ik beslist nog eens terug moest komen, maar dan niet in augustus.

De volgende ochtend stond ik erg vroeg, nog voor zessen, op. Om eventuele complicaties voor te zijn, wilde ik zo vroeg mogelijk naar Ankara. Ik besloot me niet te wagen aan een experiment met het openbaar vervoer in Istanbul, en maakte een taxichauffeur dolblij door de hoofdprijs te betalen voor een taxi naar het busstation, ten noordwesten van het centrum. Eenmaal daar liep ik het kantoortje binnen van en van de grotere busvervoerders, Pamukkale. Voor het zeer acceptabele bedrag van 55 lira (19 euro) mocht ik met de bus van zeven uur mee. Hoewel ik nog even twijfelde over welke bus om moest hebben – degene die om 7u klaarstond ging volgens het bordje naar Bodrum – werd ik uitstekend geholpen door ‘attendant’ Onur. Het bleek dat we deze bus moesten hebben, om bij een stop over te stappen in een andere bus richting Ankara. Onur was erg vriendelijk, en we raakten aan de praat. Trots liet hij een berichtje zien van een Thaise passagier de week ervoor, en hij wilde mij ook graag toevoegen op Facebook :). De bus was waanzinnig: leren bekleding, zeeën aan beenruimte, uitstekende airco… Het entertainmentsysteem bood hier alleen Turkse films, maar daar stond tegenover dat de wifi hier wel (soms) werkte. Oh, en Onur kwam twee keer langs met gratis hapjes en drinken. Al met al was het een zeer comfortabele rit, en na precies zes uur kwamen we om 13u aan in Ankara. Daar kwam ik het eerste hurktoilet tegen (helaas) en was het nog steeds warm, maar wel een stuk beter te hebben dan in Istanbul. Omdat ik meer dan genoeg tijd had, besloot ik de taxi’s te laten staan, en te voet de weg naar het treinstation te zoeken. Het duurde even voordat ik me kon oriënteren: alle straatnamen in Ankara waren veranderd: de 85e straat heette nu opeens de 1e straat, iets waar mijn gedownloade kaart nog geen weet van had. Gelukkig stonden de oude namen wel nog onderaan de straatnaambordjes, en na een wandeling die door de zon en mijn twee rugzakken toch nog onaangenaam lang was, had ik het treinstation gevonden, ruim op tijd voor mijn trein naar Erzurum van 18u. Een rit die een van de hoogtepunten van de reis tot nu toe zou worden….

De volgende keer vertel ik over de trein van Ankara naar Erzurum, en het vervolg van mijn reis, naar Batumi (Georgië) en Yerevan (Armenië). Ik loop een tikkeltje achter (op het moment van publiceren ben in net in Yerevan aangekomen), maar hoop dat snel weer in te halen ;). Wil je niks missen? Abonneer je dan op de site via de knop links. Dan krijg je een mailtje als ik een nieuw bericht heb geplaatst. Handig toch? :)

vol

van alle manieren om te zeggen
dat het eten goed gesmaakt had,
ben jij het meeste waar.
mijn glas is half vol, maar je rust pas
als ons van de tafel druipt. het
is de afdronk die het doet.
hoe ik vanavond in mijn bed
je berichtjes na zal lezen.
en nog eens. een derde maal.
zo dronken heb je mij.
van alle smaken die het slapen goed
gezegd had, ben jij het meeste rust.

Daan reist naar de Kaukasus – (3) Onderweg! Van Utrecht naar Istanbul in 59,5 uur, deel 1: Utrecht-Plovdiv

Van Utrecht naar Istanbul in 59,5 uur, deel 1: Utrecht – Plovdiv

Zo zit je thuis de laatste langzame dagen af te tellen, zo vliegt de tijd je om de oren en zit je in Istanbul. Hoog tijd voor een update! Gezien de veelheid aan vertelstof in twee delen. In dit deel: Utrecht-Plovdiv. (foto’s volgen later.)

Toen ik dinsdagavond in Utrecht in de trein stapte, was het al gezellig druk in mijn couchette. Ik legde mijn rugzak in de opbergruimte bovenin, en ging zitten. Mijn couchettegenoten bleken een Nederlander, twee Chilenen en twee Zwitsers te zijn. De eerste was net als ik op weg naar Praag. In Tsjechië zou hij een paar dagen kamperen, om daarna door te reizen naar Wit-Rusland. Voor de anderen was Berlijn de bestemming. Rond elf uur besloten we de middelste bedden (die daarvoor als rugleuning dienden) uit te klappen en onze matrassen te bemannen. Hoewel het nog een poosje zou duren tot ik in slaap dommelde, viel het bed me wat comfort betreft alleszins mee. Toen we de volgende ochtend rond vijven Berlijn naderden, werd ik wakker, en zag ik hoe de Chilenen en Zwitsers uitstapten en de Nederlander en ik het rijk alleen hadden. Ik probeerde weer in slaap te vallen, maar nu het langzaamaan licht begon te worden, was dat geen eenvoudige opgave. Goed alternatief: uit het raam genieten van het Duitse/Tsjechische landschap, en rustig wat muziek luisteren en lezen (Lincoln, the biography of a writer, aanrader!).

Een halfuur later dan gepland, om 10u, reden we woensdagochtend het station van Praag in. Ik nam afscheid van mijn overgebleven Nederlandse reisgenoot, en sloeg in een van de véle supermarktjes op het station ontbijt en proviand in. De volgende etappe, van Praag naar Budapest per Eurocitytrein, zou immers zo’n zeven uur in beslag nemen. Toen ik de drukte op het perron zag, vroeg ik me angstig af of ik niet beter toch een (optionele) zitplaatsreservering had kunnen kopen… Gelukkig bleken de overige reizigers dat ook en masse niet gedaan te hebben. Zo belandde ik in een compartiment met een Servisch meisje, een Amerikaan en twee Belgen, die al vrij snel afgelost werden door twee Ieren (maar niet voordat ze een rondje halveliterflesjes bier uitgedeeld hadden). Het meisje, van wie de naam me ontschoten is, woonde in Berlijn en was nu op weg naar huis in Belgrado. Terwijl zij snel weer in slaap viel toen de trein begon te rijden, introduceerden de Ieren een kaartspel waarvan ik de naam niet kende, maar dat tijdens de uitleg precies hetzelfde bleek te zijn als wat wij Pesten noemen. De Amerikaanse jongen, Paul, won (op het nippertje). Hij kwam uit North Carolina, woonde in Hawaii, en was voor het eerst in Europa. We praatten over de VS en Europa, over Amerikaanse presidenten en Obamacare, en over muziek – hij hield van hiphop en bluegrass, en over en weer hadden we genoeg tips uit te wisselen – en poëzie. Paul bleek namelijk, what are the odds, net als ik te schrijven en mee te doen aan poetry slams! Terwijl langslopende medereizigers, die inmiddels al een paar uur in het treincafé hadden doorgebracht, ladderzat ons compartiment bezochten, hadden Paul en ik het over schrijfdiscipline, rijmtechniek, en de verschillen tussen poetry slams in Amerika en Nederland. We wisselden gedichten en contactgegevens uit. Paul en de Ierse jongens zouden een paar dagen in Budapest blijven en spraken af om die avond samen uit te gaan. Zelf zou ik mijn reis die avond al weer voorzetten, dus nadat we na zeven voorbij gevlogen uren in Budapest waren aangekomen, gingen we ieder onze eigen weg.

Ik besloot om alvast in de richting van het busstation te lopen, en onderweg mijn ogen open te houden voor eetgelegenheden. Helaas bleek dat station zich aan precies de verkeerde kant van het centrum te bevinden, dus van een echt voedzame maaltijd kwam het niet, maar met dank aan een eenzaam kioskje onderweg kon ik toch genoeg eten vinden voor al weer de volgende rit, een nachtbus richting Sofia. Die bus zou om 23.30 vertrekken en rond 12u donderdagmiddag aankomen. Per sms – heel sympathiek! – kreeg ik met excuses bericht dat de bus vertraagd was en er rond middernacht zou zijn. Al wachtende kreeg ik gezelschap van een zeer intelligent en lief meisje uit Peking. Ze was op weg naar haar vriendje in Bulgarije, om daarna met hem een maand door Europa te reizen. Ze was geïnteresseerd in kunst, en groot fan van (de vroege) Van Gogh. Al snel toverde ze een zak Chinees snoep voor me tevoorschijn. Ik wilde er eentje proberen, maar ze stond erop dat ik de hele zak zou houden. Het snoep smaakte oké, en dankbaar stopte ik het in mijn tas.

De bus had comfortabele stoelen, een soort entertainmentsysteem achter elke stoel met onder andere de keuze uit een hoop zomerhits van rond de eeuwwisseling, en een prima toilet. Ik nam plaats in mijn stoel en viel op een gegeven moment in slaap. Rond half vier ’s nachts werd ik al weer wakker, wellicht door het idiote gedrag van de wachtende auto’s naast ons om op gezette tijden met zijn allen te gaan toeteren: we waren bij de Servische grens aangekomen. Omdat we bij het oversteken daarvan de bus uit zouden moeten, bleef ik wakker. Bij de grens was het ontzettend druk, en het zag er niet uit alsof het echt opschoot – integendeel. Na ongeveer een uur was er een nare verrassing voor het Chinese meisje: ze had zich niet gerealiseerd dat haar EU-/Schengenvisum niet geldig was voor Servië, en mocht het land niet in. Heel vervelend natuurlijk, maar ze vatte het zo te zien redelijk op. Gelukkig was ze zoals gezegd slim en sprak ze goed Engels, dus ik had er alle vertrouwen in dat ze wel een oplossing zou vinden om in Bulgarije te komen. Toen we eenmaal voorbij de grenspost waren, was het inmiddels al half zes ’s ochtends. Net als de ochtend ervoor bleken mijn pogingen weer in slaap te vallen vergeefs. Na een paar uur doemde Belgrado op. Hoe zuidelijker we daarna kwamen in Servië, hoe prachtiger het uitzicht werd, met veel dorpjes in en om de steeds hoger wordende bergen. Toen ik niettemin wel weer even genoeg had van uit het raam staren, besloot ik het scherm voor me aan te zetten. Ik zag dat de beschikbare films van aanzienlijk recentere datum waren dan de muziek, en bovendien in het Engels beschikbaar waren, en ik ging er eens voor zitten om Ted te kijken (opnieuw: aanrader!). Na een lange rit, met weer een uur wachten bij de volgende grensovergang – waar komen al die Duitsers vandaan? – kwamen we aan in Sofia. Niet tussen de middag, zoals gepland, maar rond half vier. Ik liep naar het kaartjeskantoortje, en vroeg om een ticket naar Istanbul. Dat gesprek ging ongeveer zo:

‘Can I buy a ticket to Istanbul?’
‘There are no direct trains to Istanbul.’
‘Yes, I know.’
‘You will have to change three times.’
‘Yes, I know.’
‘You want to buy?’
‘Yes, please.’
‘Okay… 45 leva, no reservation.’

Dat die route van busvervangingen aan elkaar hing, daarvoor was ik al eerder gewaarschuwd, en 45 leva (=23 euro), dat viel niet tegen! Volgens de nieuwste informatie van the man in seat 61 zou het door verschillende werkzaamheden een trein-bus-trein-bus-rit worden. Op een bestemmingenbord in de stationshal stond dat de trein richting Istanbul om 18.45 zou vertrekken. Hoewel ik vooraf dacht dat dat 19.05 zou zijn, leek er niks aan de hand, en ging ik met mijn ticket op zak – het was rond vier uur – op zoek naar een eetgelegenheid op het plein voor het station waarvan ik het menu kon lezen. Ik bestelde een groenterisotto en een pizza (6 euro in totaal). Bij gebrek aan wifi besloot ik een internetdagbundeltje te kopen om te kijken wat de reisplanner van bahn.de van deze route zei. Tot mijn schrik zag ik dat die als enige optie de trein naar Plovdiv van 17u noemde, om daar over te stappen richting Dimitrovgrad. Ik besloot dat een eerdere trein altijd verstandig is. Ik verexcuseerde me bij de serveerster en zei dat ik de pizza natuurlijk zou betalen, maar niet meer op kon eten – het was inmiddels half vijf. Daarop verscheen ze prompt met de pizza in een meeneemdoos – timing! De pizza verorberde ik in recordtempo in de stationshal, en na het nodige kastjemuurwerk op mijn vragen welke trein naar Plovdiv reed, had ik die net op tijd gevonden. Opgelucht plofte ik neer (sorry) naast een jongen van mijn leeftijd, die ook al weer uitstekend Engels sprak, en geïnteresseerd was in filosofie, religiewetenschappen en geschiedenis. Zelf kwam hij uit Plovdiv en werkte hij in Sofia, en hij kende de route van de trein op zijn duim. Hij had een waanzinnige kennis over de bergen en dorpjes die we tijdens de drie uur durende rit – de trein volgde het schema, atypisch genoeg, op de minuut – zagen en zat vol met boeiende verhalen. Ik had niet beseft dat de natuur van Bulgarije zo waanzinnig mooi was! Eenmaal in Plovdiv wees hij me op het perron voor de trein naar Dimitrovgrad. Als dank gaf ik hem de zak snoep die ik van het Chinese meisje had gekregen. De jongen beloofde dat hij deze zak zou bewaren ter herinnering aan ons gesprek. Ik stapte in de trein en vervolgde mijn reis…

In het volgende deel: de doldwaze avonturen op weg van Plovdiv naar Turkije, en mijn eerste ‘echte’ bestemming: Istanbul!